Wat als het toch niet goed gaat met de borstvoeding?

Met de nieuwe inzichten van vroeg en vaak aanleggen de eerste paar dagen, zullen veel borstvoedingen goed op gang komen, maar niet alle. Het is niet altijd duidelijk waarom het in sommige gevallen niet wil lukken. Soms kunnen we wel een oorzaak aanwijzen. De moeder kan vlakke of ingetrokken tepels hebben waardoor de baby moeite heeft met het pakken van de borst. De baby kan een niet goed ontwikkelde zuig/slikreflex hebben. Vooral wanneer de baby in het ziekenhuis is geboren kan het zijn dat hij één of meerdere keren een flesje heeft gekregen en dat daardoor sprake is van tepel-speen verwarring (een verkeerd aangeleerde drinktechniek door het gebruik van flessenspenen). Veelal bestaat het beleid uit afwachten, blijven proberen, misschien een tepelhoedje gebruiken en vaak uiteindelijk bijvoeden met de fles. Dit beleid heeft echter nadelige gevolgen voor het tot stand komen van de borstvoeding; de productie komt te langzaam op gang; de moeder kan ernstige stuwing ontwikkelen; de moeder kan tepelproblemen krijgen; de baby kan geel worden en teveel afvallen en er ontstaat grote bezorgdheid om de baby en daardoor een onrustige gespannen situatie.
Door het gebruik van tepelhoedjes en flessenspenen wordt de situatie veelal alleen maar moeilijker, de baby leert een verkeerde techniek aan en de borstvoeding wordt onvoldoende gestimuleerd. Onvoldoende melk bij de moeder zal ons dwingen met kunstvoeding bij te voeden. Vaak wordt, omdat de tijd gaat dringen, enige dwang gebruikt bij de pogingen de baby aan de borst te krijgen. Het in de nek grijpen van de baby is een veel voorkomende fout bij het aanleggen. Geen mens vindt het prettig in zijn nek gegrepen te worden, baby's ook niet en zij zullen zich veelal tegen deze aanpak verzetten.
Nieuw beleid is ook hier op zijn plaats. Een te afwachtende houding leidt tot laat ingrijpen. Omdat het probleem dan al te groot is geworden, zal resultaat langer uitblijven. Hoe sneller we een niet goed op gang komende borstvoeding herkennen hoe eerder we de interventie kunnen starten en hoe sneller het probleem is opgelost. Interventie zal meestal tussen de 12 en 24 uur post partum moeten beginnen, ongeacht het onderliggende probleem. Wanneer een baby niet binnen 12 tot 24 uur goed aan de borst kan drinken is het zaak met de interventie te starten. Goed drinken betekend dat we de baby zien en horen drinken. De interventie bestaat hieruit, dat we een elektrische kolf introduceren en de moeder, na elke poging de baby te laten drinken, de borsten leeg laten kolven. We geven de gekolfde melk aan de baby via de methode van het vingervoeden of door middel van cupfeeding.
Wat we hiermee bereiken is dat; de borstvoeding toch op gang komt; de baby te eten krijgt; alle voordelen van snel en vaak voeden blijven bestaan; de moeder al een kolf ter beschikking heeft voor het geval haar stuwing toch te erg wordt; er geen zorg over de toestand van de baby hoeft te ontstaan en er in alle rust doorgeoefend kan worden met het aanleggen van de baby. Heel vaak zal deze aanpak ertoe leiden dat binnen de kraamperiode de baby toch goed aan de borst drinkt en de kolf weer weg kan. Is de situatie niet verbeterd bij het beëindigen van de zorg, dan kan worden overwogen een lactatiekundige in te schakelen. Vanzelfsprekend kan dat ook in een eerder stadium, zeker als een ernstiger onderliggend probleem wordt vermoed.

Vingervoeden is in feite een soort zuigtraining. Het is ontwikkeld om baby's met een neurologisch probleem op de juiste wijze te leren zuigen. Ook baby's met tepel-speen verwarring, of baby's die verkeerde tongbewegingen maken, hebben een zuigprobleem. Door hen met de vinger te voeden kunnen we dat probleem vaak oplossen. We laten de baby op een vinger zuigen die qua omvang overeenkomst vertoont met de grootte van de tepel van de moeder en geven de baby, terwijl hij zuigt, voeding door middel van een spuitje dat we tegen de vinger aan een paar millimeter in zijn mondhoekje steken. Een handig hulpmiddel is hierbij de Finger Feedertip van Medela. We leggen de baby ietwat rechtop tegen een kussen aan. De vinger wordt in het mondje van de baby gedaan met de nagel op de tong van de baby en de top van de vinger tegen het harde verhemelte. De vinger moet zo diep in de mond van de baby dat de top van de vinger tegen of over de richel van het harde verhemelte valt, maar niet zo diep dat de baby gaat kokhalzen. Veel baby's zuigen de vinger zelf op de juiste plaats. De baby zal al snel ritmisch op de vinger gaan zuigen, waarna de voeding aangeboden kan worden. Het is goed de baby even op een "lege" vinger te laten zuigen omdat ook de borst van de moeder tijd nodig heeft om toe te schieten en hij zo leert een beetje geduld te hebben. De voeding wordt alleen aangeboden als de baby zuigt, net als aan de borst zal hij ook met deze methode zo nu en dan een rustpauze inlassen. Vingervoeden kan ook met een sondeslangetje, zo kan de baby toch in de armen gehouden worden. Cupfeeden is een methode die vooral toegepast kan worden bij de baby waar met de mondmotoriek eigenlijk niets mis is. Het vergt een tongbeweging die ook bij het drinken aan de borst nodig is. Bij prematuren werkt het prima en ook de à terme baby kan zo korte tijd gevoed worden. We nemen een klein plastic bekertje of een borrelglaasje. Dat doen we tot over de helft vol met voeding. De baby wordt vrij rechtop in de arm genomen eventueel in een doek gewikkeld om het wegmaaien van het cupje door zijn beweeglijke armpjes te voorkomen. We plaatsen het cupje op de onderlip van de baby en zorgen dat hij contact krijgt met de melk en houden het cupje daar. Het is niet de bedoeling dat we de melk naar binnen gieten. De baby zal met zijn tongetje, als een poesje, de melk op gaan slobberen. Laat de baby zijn eigen tempo bepalen en pauzeren als dat nodig is. Beide methoden kunnen heel goed aan ouders geleerd worden en de partner vindt het vaak heel leuk om zo een bijdrage te leveren terwijl moeder aan het kolven is.

Bron: Siemian Berghuijs,
         lactatiekundige IBCLC (International Board of Certified Lactation Consultants)