|
|
|
|
Hoe weet je of de baby genoeg drinkt?Als je de verhalen moet geloven worden steeds vaker borstgevoede
pasgeborenen in verre gaande staat van uitdroging aangeboden aan de kinderarts.
Stille ondervoeding aan de borst heet dat tegenwoordig. Of er inderdaad sprake
is van een toename kan ik niet beoordelen, nieuw is het verschijnsel zeker niet.
Wel is de 'nieuwe benaming' een 'nieuwe bedreiging' voor het geven van
borstvoeding. Zoal zo vaak wanneer er iets mis gaat met een borstgevoede baby,
wordt dat aan de borstvoeding geweten. Op de een of andere manier is het heel
moeilijk om in te zien dat problemen met de borstvoeding niet veroorzaakt worden
door de borstvoeding (moedermelk), maar door het management van de borstvoeding.
De oude manier waarop we met borstvoeding omgingen, zes voedingen per dag, opbouwschema's, bijvoeden, gebruik van fopspenen, bracht heel vaak de borstvoeding in gevaar. Door het vele bijvoeden kwamen de borstvoedingen niet goed op gang en uiteindelijk bleef een flesgevoede baby achter. Geen stille ondervoeding aan de borst, maar ook geen borstvoeding. Nu we met zijn allen steeds meer proberen de borstvoeding een goede kans te geven door het op de 'nieuwe' manier aan te pakken, doet zich dat probleem echter wel voor, wat is er dan mis met die methode? Er is niets mis met de 'nieuwe' aanpak. Maar.... het feit dat de baby vaak
aan de borst ligt is op zich geen garantie dat het goed gaat. Het drinken van de
baby moet goed geobserveerd worden. Veel hulpverleners zijn al tevreden als 'het
er goed uitziet', dat is echter niet voldoende. We moeten ook horen dat de baby
drinkt. Dat is echter niet altijd makkelijk en soms niet mogelijk. De
weegschaal kan dan uitkomst bieden. Ook het gebruik van de weegschaal moet opnieuw beoordeeld worden. In de
lactatiekunde wordt de weegschaal gezien als een belangrijk meetinstrument. Met
de weegschaal kun je, door dagelijks op een vast moment te wegen, op een
objectieve manier bepalen hoe het met de borstvoeding gaat. Wanneer de baby niet
of nagenoeg niet afvalt na de partus, gaat het allemaal naar wens. De moeder
heeft vaak gevoed de eerste dagen en de baby is sterk genoeg om nu zelf te
bepalen hoe vaak en hoe lang hij wil drinken. Is de baby 10% of meer afgevallen,
dan is er iets niet in orde. Ofwel men heeft met oud beleid de borstvoeding op
gang proberen te brengen, is de baby goed aan de borst, dan zal het allemaal wel
goed komen, ofwel er is iets mis met het drinken van de baby. Het aanleggen kan
te wensen overlaten, de baby heeft wellicht niet de juiste techniek, een
uitgebreide anamnese en observatie van het drinken zal de oorzaak van het
afvallen duidelijk moeten maken en dus ook de aanpak om tot een oplossing te
komen. In het eerste geval is de weegschaal een prachtig instrument om te laten
zien dat het goed gaat met de borstvoeding, het zelfvertrouwen van de moeder
groeit, ze zal steeds minder wegen en uiteindelijk genoeg hebben aan haar
bezoekjes aan het consultatiebureau. In het tweede geval is de weegschaal het
instrument dat aangeeft dat er iets mis is. De lactatiekundige die te hulp wordt
geroepen zal zich eerst concentreren op het groeien van de baby en pas daarna op
het verbeteren van de borstvoeding, hoewel veelal een combinatie mogelijk zal
zijn. De zorg van de moeder over de toestand van haar baby is dan niet meer
nodig en met vertrouwen in de toekomst kan ze werken aan het verbeteren van het
management van de borstvoeding, de techniek van het aanleggen of de
drinktechniek van haar baby. Bron: Siemian Berghuijs,
|
|
|