Het geven van moedermelk vrijblijvend?
Het geven van moedermelk is preventieve gezondheidszorg geworden. Niet
alleen de bevalling, maar ook de borstvoeding moet nu vlekkeloos verlopen.
Een extra last op de schouders van de verloskundige of een uitdaging die
samen met anderen tot een goed einde gebracht kan worden?
Siemian Berghuijs,
lactatiekundige IBCLC (International Board of Certified Lactation
Consultants)
Toen ik 18 jaar geleden mijn eerste baby borstvoeding wilde geven,
moest ik mijn tepels voor en na de voeding met alcohol ontsmetten. Aanleggen
moest om de drie uur gebeuren, niet 's nachts en maar één borst per voeding.
De voeding kwam goed op gang en mijn baby was op de tiende dag terug op zijn
geboortegewicht. De kraamverzorgster raadde mij bij haar afscheid aan om
meteen over te stappen op vijf voedingen, het ging zo goed, dat kon
makkelijk vertelde ze mij. Niet gehinderd door enige kennis volgde ik dat
advies op en twee dagen later was het afgelopen met de borstvoeding. Ik
kreeg het stempel niet te kunnen borstvoeden en mijn baby groeide op dankzij
de toen nog gehumaniseerd genoemde zuigelingenvoeding in blik. Dat ik
enigszins gedesillusioneerd was, begreep niemand, want flesvoeding was toch
net zo goed en het ging er toch om dat je baby groeide? Sindsdien is er veel
veranderd rond de begeleiding bij borstvoeding, maar nog steeds is er ook
veel mis.
Historie
Om te begrijpen hoe het komt dat wij vrijwel collectief zijn vergeten
hoe het geven van borstvoeding in zijn werk gaat, moeten we een uitstapje
maken in de geschiedenis. De discussie over het voeden van baby's blijkt al
sinds het begin van de mensheid te bestaan. In 1800 BC schreef Hamurabi al
een wet waarin de praktijk van de min werd geregeld. Ook zijn uit die tijd
voedingskopjes bekend die werden gevonden in graven van zuigelingen. Zo
kunnen we in elke cultuur en in alle tijden gewoontes en richtlijnen
aantreffen betreffende het voeden van baby's. Tussen 1500 en 1700 werd door
rijke Engelse vrouwen niet zelf gevoed, zij huurden een min. Hoewel ze op de
hoogte waren van het feit dat het geven van borstvoeding geboortes kon
spreiden, brachten ze liever 12 tot 20 kinderen ter wereld dan er één zelf
te voeden. Zij wilden hun figuur niet bederven en niet voor hun tijd oud
worden(!)
In het midden van de 19de eeuw werd steeds actiever gezocht naar
alternatieven voor moedermelk. Toch waren er ook artsen die de waarde van
moedermelk inzagen en die trachtten te beschermen. Pierre Budin (1846-1907)
was de eerste die begon met perinatale zorg en een kliniek voor pasgeborenen.
Hij schreef in zijn boek "The Nursling",:"Probeer op alle mogelijke manieren
borstvoeding te bevorderen en geef moeders advies en ondersteuning zodat de
baby de best mogelijke voeding kan krijgen". Zijn boek werd gepubliceerd in
een tijd dat 288 van alle 1000 levendgeborenen stierven.
De industrie en haar effecten op het geven van
moedermelk
Tegen het eind van de vorige eeuw gingen chemici zich met de
zuigelingenvoeding bezig houden waar dat tot dan toe het veld van de
medische stand was geweest. Door de opkomst van de industrialisatie en de
opkomst van de vrouwenbeweging werd de vraag naar kunstmatige babyvoeding
steeds groter. De strijd om de "markt" brandde in volle hevigheid los. De
Zwitser Henri Nestle was één van de eersten en al snel werd reclame gemaakt
naar de consument toe, met teksten als: "Wetenschappelijk juist, zodat er
niets meer te wensen overblijft". Er werd weinig aandacht besteed aan het
feit dat de oplossingen vaak met verontreinigd water klaargemaakt moesten
worden. In sommige oplossingen zat soms zelfs helemaal geen melk.
Sterftepercentages onder zuigelingen waren enorm. Maar een relatie met de
voeding werd niet gelegd. Tenslotte was die wetenschappelijk verantwoord,
dat stond op de verpakking. Er was geen wetgeving, er was hoegenaamd geen
controle, elke fabrikant maakte wat hem goeddunkte. Dit voedingsbeleid, dat
gebaseerd was op weinig sterke wetenschappelijke gegevens, wordt wel
omschreven als het grootste nietplacebogecontroleerde onderzoek op kinderen.
Het ergste effect van dit alles was nog niet eens dat moeders op grote
schaal hun baby kunstvoeding gingen geven maar dat diegenen die hun baby
borstvoeding wilden geven, niet meer op adequate hulp konden rekenen. Met de
introductie van de fles werden ook de regels die daarbij hoorden overgenomen
voor de borst. De kunst van het borstvoeding geven, die eeuwenlang van
moeder op dochter was doorgegeven, ging verloren. Steeds minder moeders
kenden iemand in hun omgeving die zelf ervaring had in het geven van
borstvoeding en die kon helpen. Hoe je kinderen groot moest brengen werd in
boeken beschreven. Ook hoe je borstvoeding moest geven. Daar stonden
uitspraken als de volgende in:" Je hoopt hem borstvoeding te geven, maar er
is een enorm aantal jonge moeders vandaag de dag die niet in staat zijn hun
baby's borstvoeding te geven en jij kan één van hen zijn....". Op deze
manier werd het vertrouwen dat vrouwen in eigen kunnen hebben al bij
voorbaat ondermijnd, de twijfel raakte ingebakken. Steeds minder moeders
durfden op hun eigen gevoel te vertrouwen en de signalen van hun kind te
interpreteren. Zo kon het gebeuren dat in 1955 nog maar 60% van de
pasgeborenen met drie maanden borstvoeding kreeg. Het aantal bleef dalen tot
1977, tot ongeveer 18% en is nu, bijna twintig jaar later nog maar tot
ongeveer 27% gestegen. Ook vandaag is het nog zo dat een moeder die
borstvoeding wil gaan geven, vaak nog nooit een baby aan de borst heeft
gezien.
Het antwoord van de moeders zelf
Het waren de moeders zelf die in opstand kwamen, die elkaar weer
gingen helpen en artsen zochten om hun vragen wetenschappelijk te
beantwoorden. Zo ontstonden in de jaren 50 de borstvoedingorganisaties. La
Leche League International was de eerste en is tot nu toe de grootste, met
afdelingen in meer dan 50 landen. LLLI is NGO (Non Governmental Organisation)
van de WHO en Unicef. In 1976 werd de Nederlandse afdeling van La Leche
League opgericht (LLLN). Twee jaar later kwam de Vereniging Borstvoeding
Natuurlijk (VBN). Aangezien zij beide vrijwilligersorganisaties waren, was
hun invloed gering. Veranderingen kwamen slechts langzaam op gang. Zo werd
in een door LLLI in 1963 uitgegeven boek over borstvoeding verteld, dat
borstgevoede baby's meestal pas na 6 maanden enige vorm van bijvoeding nodig
hebben. Tot die tijd voorziet moedermelk in alle behoeften van de baby. Het
heeft in ons land nog tot 1985 geduurd voordat de Studiegroep
Zuigelingenvoeding van de Nationale Kruisvereniging en het
Voorlichtingsbureau voor de Voeding aangaf, dat, "Louter voedingskundig
gezien het niet nodig is om aan een zuigeling die borstvoeding krijgt en die
goed groeit, de eerste zes maanden bijvoeding te geven".
Eindelijk controle
Pas in het begin van de zeventiger jaren ontstond wereldwijd wetgeving
die aangaf aan wat voor standaarden kunstmatige zuigelingenvoeding moest
voldoen. Na zo'n honderd jaar fabrieksmatige zuigelingenvoeding kwam er
eindelijk controle op deze belangrijke producten. Door middel van reclame
werd aan moeders duidelijk gemaakt dat ze niet teveel moeite hoefden te doen.
De door Nutricia geproduceerde Almironvoeding was naar hun zeggen, "een in
samenstelling weinig van moedermelk verschillende zoete melkvoeding." Termen
als gehumaniseerd werden gebezigd, inmiddels is dat bij wet verboden.
Effecten in de derde wereld en de WHO
Terwijl wij in onze westerse geïndustrialiseerde wereld inmiddels over
redelijk veilige kunstmatige zuigelingenvoeding konden beschikken, werd
ontdekt dat in de derde wereld baby's massaal overleden doordat zij gevoed
worden met diezelfde voeding. Als voornaamste oorzaken golden - en gelden -
verontreinigd water, geen middelen om water, spenen en flessen uit te koken,
het door gebrek aan geld verdunnen van de voeding en het geven van
gecondenseerde melk in de veronderstelling dat dat ook goed is. Zo sterven
ook vandaag nog een miljoen en meer baby's aan de gevolgen van deze
misstanden en worden anderen voor hun leven gehandicapt.
In 1974 constateerde de Wereldgezondheidsvergadering een "teruglopen
van de borstvoeding in grote delen van de wereld, verband houdend met
sociaalculturele en andere factoren, waaronder de verkoopbevordering van
fabrieksmatig samengestelde vervangingsmiddelen voor moedermelk". Er werd
bij de lidstaten op aangedrongen hiernaar onderzoek te doen en passende
maatregelen te nemen, waaronder reclamecodes en wetgeving. In 1978 werden
die aanbevelingen nogmaals gedaan, maar het duurde nog tot 1981 voor de WHO
kwam met de "Internationale gedragscode voor het op de markt brengen van
vervangingsmiddelen voor moedermelk". De code werd door 118 landen
ondertekend, met drie onthoudingen en één stem tegen. Ook de Nederlandse
overheid tekende. Het duurde echter nog tot 1994 voor die wetgeving er, zij
het in zeer afgezwakte vorm, kwam. De nieuwe warenwetregeling
Zuigelingenvoeding.
Discrepantie tussen Nederland en de rest van de
wereld
Terwijl wereldwijd de WHO en UNICEF ijverden voor het promoten van
borstvoeding in het belang van alle baby's, vanwege de ongeëvenaarde
voedingswaarde en de grote bescherming die het baby's biedt, sprak in ons
land de Studiegroep Zuigelingenvoeding in 1985 als haar mening uit: "Dat
borstvoeding niet beter is dan flesvoeding, maar dat borstvoeding op
gevoelsmatige gronden (de "natuurlijke" voeding) de voorkeur verdient".
Tegelijkertijd werden in de derde wereld initiatieven genomen die ervoor
zorgden dat op sommige kinderafdelingen borstvoeding verplicht werd gesteld.
De sterftepercentages daalden er met niet minder dan 90%.
Moedermelk stond in ons land zwaar onder druk door steeds terugkerende
onderzoeken die aangaven dat er veel teveel PCB's en Dioxinen in moedermelk
zaten. Wanneer er zoveel in andere consumptiegoederen zou zitten zouden deze
artikelen direct uit de handel genomen moeten worden. De Gezondheidsraad
kwam in 1985 en 1986 tot de conclusie:" dat de tot nu toe beschikbare
gegevens geen aanleiding vormen om het geven van borstvoeding te ontraden..."
Ook in 1987 en 1988 zag de commissie geen aanleiding haar advies te herzien.
In 1987 kwam de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid
met een GHI Bulletin Borstvoeding. Daarin werden knelpunten aangegeven.
Hulpverleners werden geattendeerd op het bestaan van de WHO-code. Men
erkende dat de falende hulpverlening alleen kon verbeteren als op alle
niveaus binnen de gezondheidszorg hulpverleners beter zouden worden opgeleid.
Initiatieven in die richting werden niet genomen maar overgelaten aan de
vrijwilligersorganisaties.
In 1990 werd in ons land een groot onderzoek gestart naar de gevolgen
van de verontreiniging van moedermelk op onze zuigelingen. In de pers werd
het zo voorgesteld alsof de wetenschappers al wisten wat zij zouden gaan
aantonen, namelijk neurologische afwijkingen bij borstgevoede baby's. Een
weinig wetenschappelijke manier van doen, die erop gericht leek te zijn het
geven van moedermelk wederom in diskrediet te brengen.
Start van een actie die gaat werken, ook in ons
land
UNICEF en de WHO lieten het er niet bij zitten. Diverse pogingen om
meer positieve aandacht te vragen voor de begeleiding van het geven van
borstvoeding, waaronder het boekje "Protecting, Promoting and Supporting
Breastfeeding", dat ook in het Nederlands werd vertaald, hadden niet veel
opgeleverd. Besloten werd de ziekenhuizen, waar mondiaal gezien het
merendeel van de vrouwen hun baby ter wereld brengt, direct te benaderen en
hen wat in het vooruitzicht te stellen. Zo kwam de actie "Baby Friendly
Hospital Initiative" tot stand. Instellingen die aan de criteria van UNICEF,
de "tien Vuistregels" voor het welslagen van de borstvoeding konden voldoen,
zouden een certificaat krijgen uitgereikt. In ons land werd de actie
overgenomen door UNICEF Nederland. Een adviesraad werd ingesteld en een
enquête gehouden onder instellingen voor kraamzorg. De uitkomsten waren
bedroevend. Alle reden om ook in Nederland, waar we altijd dachten dat we
het zo goed deden rond de bevalling en de ouder- en kindzorg, deze actie
verder te voeren. Inmiddels is de adviesraad van UNICEF een stichting
geworden, de "Stichting Zorg voor Borstvoeding" en is het eerste certificaat
in ons land een paar weken geleden uitgereikt aan een particulier
kraambureau. Het motto zou nu kunnen worden, wie volgt!
Lactatiekunde een nieuw beroep!
Intussen zaten de vrijwilligers ook niet stil. Op initiatief van LLLN
werden de eerste lactatiekundigen opgeleid en deden in 1992 het
internationale examen. Lactatiekunde is een nieuwe tak binnen de
gezondheidszorg, die is ontstaan omdat de noodzaak van een professionele
benadering werd ingezien. Vrijwilligers hebben, ondanks hun grote inzet en
het vele werk dat zij verzetten, onvoldoende invloed op de gezondheidszorg
om wezenlijke veranderingen tot stand te brengen. En dat laatste is heel
hard nodig, niet omdat UNICEF een certificaat uitreikt, maar omdat
borstvoeding zo veel meer dan de moeite waard is.
Borstvoeding geven wordt preventieve
gezondheidszorg
Doordat steeds meer onderzoek beschikbaar komt dat bewijst dat
borstgevoede baby's gezonder zijn en minder in het ziekenhuis worden
opgenomen en dat de effecten van het krijgen van borstvoeding ook op latere
leeftijd nog meetbaar zijn, kan het niet meer zo zijn dat we ouders daar
onkundig over laten. Jarenlang zijn we uitgegaan van flesvoeding als norm en
hebben we schoorvoetend toegegeven dat borstvoeding misschien ietsje beter
was. Nu zullen we de zaken moeten gaan benoemen zoals ze werkelijk zijn.
Borstvoeding is de norm en daarmee vergeleken lopen kinderen die
kunstvoeding krijgen gezondheidsrisico's, waarvan we ons moeten afvragen of
die wel aanvaardbaar zijn. Zuigelingenvoedingfabrikanten hebben ons altijd
willen laten geloven dat borstvoeding na drie maanden niet meer zo
belangrijk is. Maar het eigen afweermechanisme van jonge kinderen is pas in
het tweede levensjaar voltooid, er is dus alles voor te zeggen zuigelingen
zo lang mogelijk borstvoeding te geven. Niet voor niets wordt in de
"declaration" van "The World Summit for Children" New York 1990, gesproken
over "Empowerment of all women to breastfeed their children exclusively for
four to six months and to continue breastfeeding, with complementary food,
well into the second year;".
Hoe nu verder
Het zal duidelijk zijn dat er nog heel wat moet gebeuren voor een
ideale situatie is bereikt. Het allerbelangrijkste is een
attitudeverandering ten opzichte van het geven van borstvoeding. Dat
betekent niet dat we moeders min of meer moeten gaan dwingen om borstvoeding
te geven. Wat we wel moeten doen is ervoor zorgen dat ouders goed worden
voorgelicht. In die zin, dat hen op een objectieve manier wordt duidelijk
gemaakt dat er veel verschil is tussen borst en fles. Wat ze van
borstvoeding kunnen verwachten en wat de risico's kunnen zijn van
flesvoeding. Artikelen in publiekstijdschriften zijn daarbij niet voldoende.
Daarin worden voor- en nadelen altijd op een weegschaal gelegd, zodat de
balans niet overslaat naar de ene of de andere kant. Dat is geen objectieve
voorlichting. Pas als ouders goed geïnformeerd zijn, kunnen zij een
gefundeerde keuze maken. Die keuze moeten we dan ook respecteren.
Maar ook in de opleidingen binnen de gezondheidszorg moet heel wat
veranderen. Een blok van 4 of 8 uur over borstvoeding kan nooit voldoende
zijn om goede begeleiding te garanderen, de enorme inzet van veel
hulpverleners ten spijt. De wetenschap heeft ons niet alleen doen inzien dat
borstvoeding inderdaad superieur is, maar heeft ons ook geleerd hoe je met
borstvoeding om moet gaan. De methoden die op dit moment door
lactatiekundigen worden gehanteerd, zijn totaal anders dan de methoden die
men tot op dit moment binnen de gezondheidszorg leerde. Een cursist van de
opleiding lactatiekunde, hoofd van een kraamafdeling in een ziekenhuis,
vertelde;" Het is de leukste opleiding die ik ooit heb gehad en ik vertel
aan al mijn collega's, dat je alles moet vergeten wat je ooit hebt geleerd
en helemaal opnieuw moet beginnen". Lactatiekundigen zien het als hun taak
voor die scholing zorg te dragen. Meer beter geïnformeerde hulpverleners
kunnen meer moeders op een goede wijze voorlichten en begeleiden.
Uiteindelijk zal naar verwachting optimale begeleiding bij borstvoeding
kunnen leiden tot wezenlijke besparingen in de gezondheidszorg.
De ervaring leert dat de opleiding tot lactatiekundige in een grote
behoefte voorziet. Ook uit de beroepsgroep van verloskundigen zijn al mensen
met de opleiding bezig of hebben deze afgerond. Wanneer u meer wilt weten
over borstvoeding is wellicht een bezoek van een lactatiekundige in uw kring
zinvol. Verder zal in de komende nummers een rubriek verschijnen waarin
nader wordt ingegaan op de begeleiding van borstvoeding in de praktijk. |